<< Terug naar categorie
Boekhouden en fiscaliteit
- 12 -
maart
2015

Basisbeginselen boekhouden en fiscaliteit



boekhouden en fiscaliteit – de basisbeginselen

Elke zelfstandige zal jaarlijks cijfers moeten opmaken die weergeven wat de inkomsten en kosten waren die hij/zij tijdens dat jaar heeft gemaakt. Op basis daarvan kan de winst worden uitgerekend, die zal worden belast in ofwel de personenbelasting (zelfstandige-natuurlijke persoon) of de vennootschapsbelasting (zelfstandige-vennootschap). Er zullen bovendien taksen en BTW moeten worden betaald.

1. Boekhoudkundige verplichtingen

Elke onderneming gevestigd in België moet een “voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding voeren en de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf nemen”.  1 Afhankelijk van de rechtsvorm, de omzet en het balanstotaal, het aantal werknemers en de activiteit van de onderneming zullen andere boekhoudkundige verplichtingen moeten worden nageleefd:

  • Verzekeringsmakelaars en banken zijn aan specifieke regels onderworpen;
  • Kleinhandelaars – natuurlijke personen die handelaar zijn, de VOF en Comm.V. met een omzet kleiner dan 500.000 euro (excl. BTW) – voeren een vereenvoudigde boekhouding;
  • KMO’s voeren een volledige dubbele boekhouding volgens het verkort schema;
  • Grote ondernemingen dienen de jaarrekening volgens een volledig schema op te maken waardoor meer informatie publiek wordt gemaakt.

1.1. Kleinhandelaars

De kleinhandelaars voeren een vereenvoudigde boekhouding die is samengesteld uit minimum drie dagboeken: 1/ een dagboek met de beschikbare liquide middelen, in contanten (kasboek) of op rekening (bankboek), 2/ een dagboek met aankopen en invoeren en 3/ een dagboek met aankopen en uitvoeren. Alle verrichtingen dienen er in chronologische volgorde in te worden opgenomen. Minstens éénmaal per jaar moet bovendien een overzicht van 1/ alle bezittingen en vorderingen, 2/ alle schulden en verplichtingen en 3/ de eigen middelen verbonden aan de onderneming worden opgemaakt.

1.2.KMO’s

De KMO’s zijn die vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die op jaarbasis in ieder geval minder dan 100 mensen in dienst hebben, en niet meer dan één van volgende criteria overschrijden: 1/ op jaarbasis gemiddeld minder dan 50 werknemers, 2/ balanstotaal minder dan 3.500.000 euro en 3/ een jaaromzet van minder dan 7.300.000 euro (excl. BTW).

KMO’s voeren een dubbele boekhouding en dit houdt in dat:

  • Enerzijds alle uitgaande en inkomende documenten worden geregistreerd, en;
  • Anderzijds elke inkomst of betaling die daar tegenover staat, ook wordt geboekt.


Elke verrichting wordt dus zowel op de credit- als op de debetzijde opgenomen, en bijgevolg zijn beide steeds gelijk. Een dubbele boekhouding geeft een meer gedetailleerd beeld van de onderneming.

KMO’s leggen hun jaarrekening neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België.  2

1.3.Grote ondernemingen

Onder ‘grote ondernemingen’ wordt verstaan, die vennootschappen die meer dan 100 werknemers hebben of meer dan één van de KMO-criteria (supra) overschrijden. Grote ondernemingen moeten hun jaarrekening niet alleen volgens het volledig schema opstellen en ze neerleggen bij de Balanscentrale, ze moeten tevens een jaarverslag opmaken en hun jaarrekening laten controleren door een commissaris-revisor. Die laatste wordt benoemd door de Algemene Vergadering en dit voor een periode van drie jaar. Het is zijn taak om na te gaan of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de onderneming.

In het jaarverslag geven de zaakvoerders of bestuurders rekenschap van hun beleid (art. 95 W.Venn.). Het omvat (art. 96 W.Venn.):

  • Ten minste een getrouw overzicht van de ontwikkeling en de resultaten van het bedrijf en van de positie van de vennootschap, alsmede een beschrijving van de voornaamste risico's en onzekerheden waarmee zij geconfronteerd wordt;
  • Informatie omtrent de belangrijke gebeurtenissen die na het einde van het boekjaar hebben plaatsgevonden;
  • Inlichtingen over de omstandigheden die de ontwikkeling van de vennootschap aanmerkelijk kunnen beïnvloeden, voor zover zij niet van die aard zijn dat zij ernstig nadeel zouden berokkenen aan de vennootschap;
  • Informatie omtrent de werkzaamheden op het gebied van onderzoek en ontwikkeling;
  • Gegevens betreffende het bestaan van bijkantoren van de vennootschap;
  • Ingeval uit de balans een overgedragen verlies blijkt of uit de resultatenrekening gedurende twee opeenvolgende boekjaren een verlies van het boekjaar blijkt, een verantwoording van de toepassing van de waarderingsregels in de veronderstelling van continuïteit;
  • Wat betreft het gebruik door de vennootschap van financiële instrumenten en voor zover zulks van betekenis is voor de beoordeling van haar activa, passiva, financiële positie en resultaat : 1/ de doelstellingen en het beleid van de vennootschap inzake de beheersing van het risico, met inbegrip van haar beleid inzake hedging van alle belangrijke soorten voorgenomen transacties, waarvoor hedge accounting wordt toegepast, alsook 2/ het door de vennootschap gelopen prijsrisico, kredietrisico, liquiditeitsrisico, en kasstroomrisico, en;
  • In voorkomend geval, de verantwoording van de onafhankelijkheid en deskundigheid op het gebied van boekhouding en audit van ten minste één lid van het auditcomité.

 

2. Belasting op winst

Het inkomen van de zelfstandige die als natuurlijke persoon werkt (éénmanszaak) zal worden belast in de personenbelasting. Zij die via een vennootschap een zelfstandige activiteit voeren, zullen hun inkomen in de vennootschapsbelasting belast zien.

Beiden betalen op ongeveer hetzelfde moment belastingen:

  • Elk kwartaal moeten 3 voorafbetalingen worden gedaan op de vermoedelijke winst van het boekjaar; 4
  • Ongeveer een jaar na de afsluiting van het boekjaar is de uiteindelijke belasting verschuldigd, al zal in het geval van correcte voorafbetalingen in beginsel geen belasting meer moeten worden betaald.

 

2.1 Éénmanszaak

Als de onderneming niet in de vorm van een vennootschap wordt uitgebaat, zijn de winsten onderworpen aan de personenbelasting. Ze moeten worden aangegeven in Deel II van de persoonlijke aangifte – de éénmanszaak heeft immers geen afgescheiden rechtspersoonlijkheid zoals vennootschappen – onder ‘beroepsinkomsten’.

De personenbelasting is progressief, en het tarief kan oplopen tot 50%. Voor aanslagjaar 2014 waren de tarieven:

Inkomensschijf

Belastingstarief

Van 0 tot 8.590 €

25%

Van 8.591 tot 12.220 €

30%

Van 12.221 tot 20.370 €

40%

Van 20.371 tot 37.330 €

45%

Vanaf 37.331 €

50%

Daar bovenop moet nog de gemeentebelasting worden geteld (ongeveer 7%).

2.2. Vennootschapsbelasting

Alle venootschappen met rechtspersoonlijkheid die tot doel hebben winst te maken en die hun maatschappelijke zetel, voornaamste vestiging of zetel van bestuur of beheer in België hebben, zijn onderhevig aan de vennootschapsbelasting.

In beginsel bedraagt het tarief 33,99%, dit is inclusief de aanvullende crisisbelasting van 3%. Voldoet de vennootschap evenwel aan bepaalde voorwaarden en is het belastbaar inkomen lager dan 322.500 euro, dan kan het genieten van het verlaagd opklimmend tarief:

Inkomensschijf

Belastingstarief

Van 1 tot 25.000 €

24,98%

Van 25.001 tot 90.000 €

31,93%

Van 90.001 tot 322.500 €

35,54%

Het betreft de volgende voorwaarden:

  • Niet meer dan de helft van de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen mag in het bezit zijn van andere vennootschappen;
  • De vennootschap mag geen dividenden uitkeren die hoger zijn dan 13% van het gestort kapitaal aan het begin van het belastbaar tijdperk;
  • De vennootschap mag niet meer aandelen bezitten dan de helft van de gerevaloriseerde waarde van het gestort kapitaal, of van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en geboekte meerwaarden, en dit op datum dat de jaarrekening wordt opgesteld;
  • Geen coördinatiecentrum mag deel zijn van de groep waartoe de vennootschap behoort, en;
  • Minstens een van de bedrijfsleiders moet een bezoldiging ontvangen van 36.000 euro (of het bedrag van het belastbaar inkomen indien dat lager zou zijn dan 36.000 euro).


3. Belasting op de toegevoegde waarde (BTW)

BTW is een verbruiksbelasting over de toegevoegde waarde die bij elke transactie van het productie- of distributieproces wordt gecreëerd. Elke schakel in de keten zal dus BTW-plichtig zijn:

BTW

Op het einde van de maand of kwartaal zal de BTW-plichtige het verschil tussen de BTW die hij kan terugvorderen (de BTW die hij betaalde aan de verkoper van het hout) en de BTW die hij moet betalen (de BTW die de klant betaalde bij aankoop van het meubel), overmaken aan de Schatkist.

In beginsel is elke persoon die op vaste basis de levering van goederen of diensten verricht, BTW-plichtig. Dit is ook het geval wanneer dit slechts aanvullend of zonder winstoogmerk wordt gedaan.

3.1.Tarieven

Het normale tarief is 21 %. Voor bepaalde categorieën van goederen en diensten gelden echter wel gunstigere tarieven:

  • 6 % voor producten en diensten met een sociaal karakter zoals bijvoorbeeld levensnoodzakelijke producten, personenvervoer of landbouwdiensten;
  • 12 % voor economisch of sociaal belangrijke goederen of diensten. Het betreft bijvoorbeeld abonnementen voor betaaltelevisie, kolen en margarine.

 

Er bestaan twee bijzondere stelsels. Vooreerst het forfaitair stelsel waarbij voor bepaalde beroepen de BTW op forfaitaire wijze wordt bepaald. De belastbare omzet wordt dan niet berekend op basis van facturen, maar wel op basis van de aankopen en geleverde prestaties. Dit stelsel kan worden genoten indien cumulatief aan volgende voorwaarden is voldaan:

  • Het moet gaan om een natuurlijke persoon, BVBA, commanditaire vennootschap of VOF;
  • Minstens 75 % van de omzet moet bestaan uit handelingen waarvoor geen factuur vereist is;  5
  • De omzet is lager dan 750.000 euro (excl. BTW).

 

Het stelsel van de vrijstelling daarentegen is mogelijk voor BTW-plichtigen die een jaaromzet hebben van niet meer dan 15.000 euro. Dan dient geen BTW te worden betaald, noch aangerekend. Op de factuur dient men wel “stelsel van BTW-vrijstelling” te vermelden. Noteer dat BTW dat evenmin kan worden afgetrokken.

3.2.Verplichtingen

BTW-plichtigen dienen bij de start (of wijziging, verplaatsing of stopzetting) van de activiteit aangifte te doen bij het BTW-controlekantoor of ondernemingsloket. Vanaf dan moet altijd BTW worden aangerekend op de facturen, en periodiek (maandelijks of elk kwartaal) een BTW-aangifte te worden ingediend. De verschuldigde BTW dient dan aan de Schatkist te worden overgemaakt.

Bovendien moet 1/ de boekhouding, 2/ elk jaar voor 31 maart ook een lijst met BTW-plichtige klanten en 3/ een opgave van de intracommunautaire handelingen aan de BTW-administratie worden toegezonden.

1 Artikel 2 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen.

2 De toepassing voor de neerlegging of de raadpleging van jaarrekeningen kan hier worden gevonden: http://www.bnb.be/pub/03_00_00_00_00/03_01_01_00_00.htm?l=nl.

3 Indien onvoldoende vooraf werd betaald, zal een belastingsvermeerdering worden toegepast.

4 Zelfstandige-natuurlijke personen dienen in de eerste drie jaar van hun activiteit geen voorafbetalingen te doen, althans indien ze voor de eerste keer als zelfstandige starten.

5 Dit is bijvoorbeeld vaak het geval voor (banket)bakkers, slagers, apothekers, kleinhandelaren van allerlei producten,…